Participatiewet in Balans: meer vertrouwen

De Participatiewet in balans is op 1 januari van kracht  gegaan. Een lange geschiedenis, waarbij altijd weer duidelijk wordt hoe de wetgeving achter loopt, of vriendelijker geformuleerd: zich aanpast bij en aan maatschappelijke ontwikkelingen. Jeroen Spruit (directeur) en Frank Kreeftenberg (beleidsmedewerker) van Laborijn praatten de raad bij. Aanloop

In 2015 werd de toenmalige wet werk en bijstand vervangen door de Participatiewet. Hoofdzaak van de uitwerking was echter een wet die op een vrij strenge manier het inkomen (bijstand) regelde voor mensen die niet op eigen kracht in hun inkomen konden voorzien. En participatie werd vooral gezien (en er werd ook streng op toegezien) als solliciteren naar werk. Langzamerhand zijn we er achtergekomen dat de mensen die nu onder de P-wet vallen voor een groot deel niet in staat zijn om fulltime te werken. Dat komt ook omdat in diezelfde tijd de Wsw (aangepast werk) werd dichtgezet en de Wajong (wet arbeidsinschakeling jongeren) werd afgebouwd tot alleen zwaar gehandicapten.

Boodschappenaffaire

Bovendien lieten een paar affaires zien dat de uitvoering van die wetten hun doel voorbij schoot. Vaak was er sprake van repressie in plaats van steun. Toeslagenaffaire en boodschappenaffaire zijn goede voorbeelden. Na een lang traject is deze wet dus ingevoerd en wel in drie fasen, sporen. Het eerste gaat in in 2026. Centraal staat het begrip “mens centraal”, dus uitgaan van vertrouwen, menselijke maat, professionaliteit van de medewerkers en meer ruimte voor maatwerk.

Concrete wijzigingen

Een paar veranderingen. Mensen die een bijstandsuitkering (zelfde als uitkering in het kader van de P-wet.) ontvangen mogen jaarlijks 1200 euro aan giften in geld of natura ontvangen. Mensen die naast hun uitkering (bijna fulltime) mantelzorger zijn krijgen meer ruimte daarvoor (bijv. geen sollicitatieplicht of voordeurdelersregeling); jongeren tot 27 jaar hoeven niet meer 4 weken te wachten. Ook de bevoorschotting gaat naar 95% en de jongerennorm wordt “geharmoniseerd” (waarom zou een jongere van 19 minder kosten hebben dan iemand van 21 jaar). Vervolgens wordt gezien de doelgroep veel meer nadruk gelegd op maatschappelijke participatie. Bij Laborijn noemen we dat “meedoen op de meest passende plek”. Het mooie is dat eigenlijk al deze veranderingen door Laborijn al in de afgelopen maanden en jaren zijn doorgevoerd. In die zin kun je zeggen dat de wet de praktijk gevolgd heeft. In 2027 en 2028 volgen nog weer wijzigingen, maar daar moet de automatisering e.d. eerst nog op aangepast worden. Het brengt mij wel weer tot de conclusies dat het hele stelsel knap ingewikkeld gemaakt is. En de wetten met hun eigen regeltjes veel te veel.  Wat zou het mooi zijn dat er één gemeentelijke wet zou zijn die regelt dat mensen die ondersteuning nodig hebben (in welke vorm dan ook) die steun ook krijgen.


 

Deel deze inhoud

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *