Na de gebruikelijke B en W vergaderingen, interne overleggen en afwerken van de interne post, konden we ons opmaken voor een bedrijfsbezoek bij Prinzen pootaardappelen aan de Westendorpweg in IJzerlo. Dat was een zeer interessant bezoek, waarin vele vragen konden worden beantwoord en we een kijkje achter de schermen konden nemen van een bijzonder efficiënt en grootschalig ingericht proces van de productie van pootaardappelen. Het is niet te geloven dat twee generaties eerder dit bedrijf aan de Westendorpweg nog een gewoon klein gemengd bedrijf was met koeien, varkens, kippen en een paar bunder grond. Langzamerhand is men zich toe gaan leggen op het telen van pootaardappelen. Vanaf per jaar gemiddeld zo’n 360 ha grond (eigen grond, gepacht, huurovereenkomst) in een straal van zo’n 60 km van Aalten. In het hoogseizoen (zomer tot oktober) worden er met kei-grote machines duizenden kilo’s aardappels geoogst en naar het bedrijf in IJzerlo gebracht. Hier begint het wassen, sorteren, drogen, vriezen van het materiaal. Er staat een sorteerinstallatie met 8 uitgangen (dus er kan gesorteerd worden op 8 groottes, soorten, enz. Vervolgens wordt het product in zakken van 20 kg verpakt en over de hele wereld verspreid.

Grootschaligheid
Als je je realiseert hoe de bedrijfsvoering zo’n 30 jaar geleden was en hoe die er nu uitziet, zie je ook dat hier een enorme schaalvergroting heeft plaatsgevonden. Dat is efficiënt voor de keten, maar de vraag is natuurlijk of dit gezond is en blijft. Als je het verschil hoort tussen de inkoopprijs van de inhoud van een zakje patat en de uiteindelijke verkoopprijs ervan, dan is duidelijk dat ook de aardappeltelers en leveranciers van pootgoed erg afhankelijk zijn van de invloed van de “grote jongens”, zoals AVIKO of inkoopcombinaties. Wel goed om te horen dat er nog steeds inkoopcoöperaties zijn, die samenwerking makkelijker maken, maar de vrijheid eigen prijzen vast te stellen is vervallen. Ook het gebruik van chemische en biologische middelen kwam aan de orde. Het komende Pfas-verbod kan verregaande gevolgen hebben voor de sector. Er zijn duizenden soorten Pfas, de ondernemer en zijn dochter vertelden dat juist de middelen die zij gebruiken niet gevaarlijk zijn. Maar toch zal het oordeel af gaan hangen van de zgn. toelatingscommissie die beslist over de vraag welke middelen mogen worden gebruikt. Langzamerhand worden dus de bedrijven die pootaardappelen aan de man brengen zeer kapitaalintensief. De vraag is of dat een juiste ontwikkeling is. Eigenlijk horen dit soort bedrijven dus op een industrieterrein. De ondernemer en zijn dochter zijn in elk geval effectief, zijn vakmensen en hebben hart voor hun bedrijf en product. Dat konden we ter plekke zien.
Joop Wikkerink

